“Het zijn slechte tijden! Het zijn moeilijke tijden! Dat zeggen de mensen tenminste.” Deze
woorden, die ik lees, werden opgeschreven ruim 1600 jaar geleden door Augustinus,
bisschop van Hippo, in Noord Afrika. Hij voegt eraan toe: “Laten we liever goed leven,
dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zijn de tijden.”1 Beste
tafelgenoten, als de tijd is wat wij ervan maken, dan komt het inderdaad op aan vanuit
welke overtuiging wij leven en dus kiezen.

In de laatste statuten van de stichting Prinsjesdagontbijt, artikel 2, wordt de Bijbel
genoemd als haar grondslag. Het Woord Gods, het Woord van de levende Heer, is al
lang niet meer de verbindende factor in onze maatschappij; dat maakt het overtuigd
christelijk kiezen tot een uitdaging, “moeilijke tijden”, zoals Augustinus dat noemt. Wij
zijn hier bijeen als mensen die zich verbonden weten door de inspiratie van Gods
Woord. Ik wil daarom vertrekken vanuit de Schrift tekst die hier vanochtend gelezen
werd uit het Boek Deuteronomium, Dt 30:11-15. Ik denk dat die woorden heel relevant
zijn voor ons; ik wil ze verbinden met het hier en nu.

Al bij een eerste lezing, of bij het eerste horen, valt op dat de tekst begint en eindigt
met iemand die spreekt in de eerste persoon. Aan het begin staat er: “De geboden die
ik u vandaag heb gegeven”; aan het einde staat er: “ik stel u voor de keuze (tussen
voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood)”. De combinatie van geboden enerzijds
en vrije keuze anderzijds is bijzonder. Wij worden niet graag geconfronteerd met
geboden en we staan erg op onze vrijheid om te kiezen. In ons aanvoelen spreken
gebod en vrije keuze elkaar tegen. Als er een gebod geldt, dan heb je toch geen keuze?
Dat aanvoelen zegt -denk ik– meer over ons en onze tijd, dan over de over geboden
waarover het gaat in de Bijbel. Met zijn gebod doet God juist een beroep op onze
vrijheid met een bemoediging en een aansporing: “Het woord is dicht bij u, in uw mond,
in uw hart”.

Hoe hangen gebod en vrije keuze samen? Gods geboden zijn een onderdeel van een
verbond, een relatie die God en mensen met elkaar verbindt. Als God vóór ons kiest,
kiezen wij dan ook vóór Hem? Geboden in de Schrift gaan uiteindelijk over verbinding,
over relatie, over eerlijke communicatie. Als Jezus door een Schriftgeleerde gevraagd
wordt wat het voornaamste gebod is, dan spreekt Hij over verbinding, Hij zegt:
“Het voornaamste is: ‘Luister Israël! De Heer, uw God, is de enige Heer; heb de Heer,
uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met
heel uw kracht’. En daarna komt dit: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ Er zijn geen
geboden belangrijker dan deze” (Mk 12:29-31).

Dit lief-hebben van God en naaste wordt door bijna iedereen onderschreven, maar
toch blijft de vraag hoe je dat gebod dan leeft, “in moeilijke tijden” zoals mensen hun
tijd noemen.

“Wie is mijn naaste?” vraagt een Schriftgeleerde (Lk 10:29). Daarop antwoordt Jezus met
een van de bekendste parabels, nl. die van de barmhartige Samaritaan. Het verhaal
van de parabel is bekend en kent meerdere lagen, die een diepe rijkdom bevatten;
daar neem ik u graag mee naar toe.

Een reiziger wordt onderweg beroofd en half-dood achtergelaten. Er komen
achtereenvolgens langs: iemand van de priesterklasse, een leviet en een iemand van
een ander volk, een Samaritaan, die normaal gesproken geen betrekking onderhoudt
met Joodse mensen. De eerste twee zien de gewonde en zijn te druk met zichzelf en
hun status en lopen in een boog om hem heen. De Samaritaan, daarentegen, ziet de
gewonde en gaat naar hem toe. Hij verzorgt zijn wonden, tilt hem op zijn rijdier,
brengt hem naar een herberg. Hij betaalt de kosten en belooft bij terugkomst de
bijkomende kosten te betalen.

Dat is het verhaal aan de oppervlakte, en dan gaat Jezus in de diepte en stelt een
vraag waarmee Hij alles omkeert. De Schriftgeleerde vroeg: “Wie is mijn naaste”, maar
Jezus vraagt: “Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van
de rovers?” Wat hier gebeurt met de verandering van de vraagstelling is de kern van de
zaak. Als je vraagt “Wie is mijn naaste?” dan denk je in cirkels en dan sta je zelf in het
middel en je vraagt je af hoe groot de straal van jouw cirkel moet zijn. Wie is mijn
naaste? Dat zijn degene die binnen een redelijke cirkel vallen. Als je zo de vraag stelt,
dan ben je letterlijk ego-centrisch, egoïstisch, niet verbindend. Jezus denkt ook in
cirkels maar stelt de kwetsbare mens in het middelpunt van de cirkel en wie is dan zijn
naaste? Jezus stelt de Samaritaan ten voorbeeld en zegt aan de Schriftgeleerde en
(over diens schouder) aan ons lezers: “Doet gij evenzo”.

Hoe doe je dat in moeilijke tijden? Misschien is het goed het scenario even concreet te
benoemen. Welke kwetsbare zien we in onze omgeving? Voor wie gaan wij de naaste
worden? Voor de zieke zonder uitzicht, de zoekende jongere, de eenzame oudere, de
hulpeloze ongeborene, de troosteloze arme, de radeloze migrant, de hopeloze
dakloze? Voor wie zijn wij de naaste? Wat gebeurt er in ons hart wanneer we hen zien?
In het geraakt worden ontdekken we dat Gods wet echt dichtbij is en in ons hart ligt.
Hoe bepaalt het onze keuze? Jezus denkt en leeft altruïstisch: Hij keert het menselijke
denken om en roept op tot bekering waarbij de behoeftige ander naar het midden
schuift, wie dat ook is.

Wat hier gebeurt in de parabel, is dat er een richting wordt gegeven hoe je het gebod
van God kunt onderhouden, hoe je concreet kunt kiezen voor voorspoed en leven. Het
gebod om lief te hebben betekent: je geraakt laten worden en leven schenken aan de
ander. Soms ligt dat in een concrete actie, maar het ligt zeker ook in een politiek
waarbij we een cultuur scheppen die leven en voorspoed kan schenken voor ieder
mens. De ander in het midden zetten van jouw aandacht en daarnaar handelen. Je
kunt het gebod onderhouden, zegt het boek Deuteronomium. Je doet dat door een
wisseling van perspectief, op de wijze van Jezus. Hij denkt en handelt vanuit cirkels
omdat God ons liefheeft en diep geraakt is en daarom zijn Zoon geeft.

Voor de oplettende bijbelkenner: er is een woord dat ik daarnet in mijn korte
navertelling heb overgeslagen, maar waarin de essentie vervat ligt: medelijden, beter
nog: bewogen door medelijden, σπλαγχνιζομαι. Medelijden/barmhartigheid is:
bewogen-worden en daardoor in-beweging-komen. Deze parabel lijkt daarom echt
iets van Jezus zelf. Hij drukt er iets in uit van zichzelf. De uitdrukking: “hij kreeg
medelijden toen hij hem zag” is in de traditie vertaald als “barmhartige” Samaritaan. In
de taal van het Nieuw Testament is dit een vrij uniek woord en bij nauwkeurige lezing
van de evangelies blijkt het bijna uitsluitend voor Jezus gebruikt te worden. Een van de
zeldzame keren dat het niet voor Jezus gebruikt wordt, is als Jezus het zelf gebruikt.
Dat is een sterke aanwijzing dat Jezus het over zichzelf heeft als hij die Samaritaan
spreekt. Hij komt van ver en is op reis gegaan omdat Hij mensen halfdood ziet liggen:
kwetsbaar, gebroken, behoeftig, het leven vloeit uit hen weg EN Hij wordt erdoor
bewogen. We voelen ons vaak niet halfdood of gebroken, maar het is een feit dat het
leven door onze vingers wegglijdt, terwijl elke vezel in ons verlangt naar leven. De
Schrift leert dat we voor het leven en voor gemeenschap geschapen zijn, maar dat
doel bereiken we zelf niet. We leven, maar in een wereld getekend door sterven. Dat
trekt God zich aan; Jezus belichaamt dat medelijden van God en de beweging van God.
Hij komt in beweging en Hij zorgt voor ons. Hij betaalt zelf de prijs en belooft aan te
vullen wat nog ontbreekt. En dan houdt Hij ons voor ook overtuigd te kiezen: “doe gij
evenzo”.

In de uitnodiging voor vandaag staat: “Waar kunnen wij het goede zoeken en vinden? Hoe
kunnen wij zelf een kracht ten goede worden?” Die vraag wordt gesteld in “moeilijke
tijden” waarin Christus en de christelijke waarde van verbinding en van de naaste
liefhebben niet meer de grondslag is van de samenleving. Wij hebben het woord van
de levende Heer. We kiezen goed en overtuigd, en we worden zelf een kracht ten
goede, als het zien en horen van de gebrokenheid en kwetsbaarheid van de ander ons
mag raken en óók ons in beweging zet.

Is dat een illusie, een utopie? Ik denk het niet. Inderdaad het zijn moeilijke tijden. In
een overwegend seculiere samenleving is het christelijk denken om de goede naaste
zijn niet meer vanzelfsprekend. Ik zie die uitdagingen en weet dat dit niet makkelijk is.
Zoals de personen in de parabel zijn we onderweg: niet naar een hopeloos einde,
maar naar een eindeloze hoop. Wij zijn pelgrims van hoop. Op onze reis zijn we
vanmorgen samengekomen in één cirkel. Dank dat u gekomen bent; het is goed voor
elkaar de naaste te zijn en samen te werken aan een cultuur van leven; daar bid ik
graag voor. Voor wie doet zoals Hij, heeft Christus nooit een makkelijke tocht beloofd,
maar wel een behouden thuiskomst. Als Hij voor ons een levend woord is, als Hij
dichtbij is, in onze mond en in ons hart, dan kunnen wij het volbrengen. Dan kunnen u
en ik Hem brengen in elke cirkel waar we onderweg binnenstappen, dan kan Hij door
ons komen bij de ander en leven brengen. Zoals Augustinus zei: “Laten we liever goed
leven, dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zijn de tijden.”
Ik dank u voor dit samen-zijn in een cirkel rond Gods Woord.

1 Aurelius Augustinus, Sermo 80 (Preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. Amsterdam,
p.433)

(foto: Jan Wouters)